Deze complete pickleball-termenlijst is gemaakt voor iedereen die snel de betekenis wil opzoeken van woorden die je tijdens het spelen of kijken van pickleball tegenkomt. Omdat er in deze sport veel Engelse termen worden gebruikt, hebben we de belangrijkste begrippen overzichtelijk voor je uitgelegd, van A tot Z.
Een snel overzicht
ToggleA – Pickleball termen met de ‘A’
Ace: Een service die direct een punt oplevert omdat de tegenstander de bal niet raakt.
Around the Post (ATP): Een bal die buiten het net om wordt geslagen, maar nog steeds in het veld landt.
Approach shot: Een slag waarmee je richting het net beweegt om druk te zetten.
Assisted play: Spelsituatie waarbij een speler de bal met iets anders dan het racket raakt, wat niet is toegestaan.
B – Pickleball termen met de ‘B’
Backhand: Een slag aan de niet-dominante kant van je lichaam.
Baseline: De achterlijn van het speelveld waar je meestal serveert.
Bounce: Het stuiteren van de bal; relevant bij de ‘double bounce rule’.
Block volley: Een korte, gecontroleerde volley waarbij je de bal dempt zonder uitslag.
C – Pickleball termen met de ‘C’
Carry: Een illegale slag waarbij de bal te lang op het racket blijft.
Cross-court: Een diagonale slag van het ene servicevak naar het andere.
Court: Het speelveld waar pickleball op wordt gespeeld.
Composite paddle: Een paddle gemaakt van een combinatie van materialen zoals grafiet en glasvezel.
D – Pickleball termen met de ‘D’
Dink: Een zachte slag die net over het net in de ‘kitchen’ valt.
Double bounce rule: Regel waarbij beide teams de bal één keer moeten laten stuiten na de service.
Drive: Een harde, vlakke slag die laag over het net gaat.
Drop shot: Een zachte slag richting de voorkant van het veld, bedoeld om de tegenstander naar het net te lokken.
E – Pickleball termen met de ‘E’
Erne: Een agressieve volley waarbij je buiten de baan om de ‘kitchen’ heen springt om de bal te slaan.
Equipment check: Controle van paddle en schoenen voor toernooien of officiële wedstrijden.
Edge guard: De randbescherming van een paddle die slijtage of schade voorkomt.
End change: Wisselen van speelhelft, meestal na een bepaald aantal punten of sets.
F – Pickleball termen met de ‘F’
Fault: Een fout waarbij een punt verloren gaat, bijvoorbeeld bij een foute service of volley in de ‘kitchen’.
Flat shot: Een slag zonder spin, meestal hard en recht.
Foot fault: Overtreding waarbij de server de lijn raakt of overschrijdt tijdens het serveren.
Forehand: Een slag aan de dominante kant van je lichaam.
Follow-through: De beweging die je maakt na het raken van de bal.
G – Pickleball termen met de ‘G’
Grip: De manier waarop je het paddle vasthoudt.
Groundstroke: Een slag waarbij je de bal na een stuit raakt.
Game point: Het punt waarmee een speler of team de game kan winnen.
Gap: De ruimte tussen twee spelers in een dubbelspel, vaak doelwit van een aanval.
H – Pickleball termen met de ‘H’
Half volley: Een slag waarbij je de bal vlak na de stuit raakt.
Hinder: Een afleiding of belemmering tijdens het spel, waardoor het punt opnieuw gespeeld kan worden.
High ball: Een bal die hoog opstuit en vaak makkelijk aan te vallen is.
Hustle: Snel en actief bewegen op het veld om ballen te halen.
I – Pickleball termen met de ‘I’
Inside out: Een slag waarbij je het paddle zo draait dat de bal in een onverwachte richting vertrekt.
Illegal serve: Een service die niet volgens de regels is uitgevoerd, zoals bovenhands serveren.
In-play: Een situatie waarin de bal legaal in het spel is en het punt doorgaat.
Impact point: Het moment waarop het paddle de bal raakt.
J – Pickleball termen met de ‘J’
Jump volley: Een volley waarbij je springt om de bal te slaan, vaak om extra hoogte of kracht te krijgen.
Jamming: Een slag die recht op het lichaam van de tegenstander gericht is om die uit balans te brengen.
Jargon: De typische terminologie binnen pickleball, zoals deze lijst.
K – Pickleball termen met de ‘K’
Kitchen: De non-volley zone aan het net waar je de bal niet mag volleren.
Kick serve: Een service met veel topspin, waardoor de bal na de stuit omhoog ‘springt’.
Kill shot: Een harde, directe slag bedoeld om het punt meteen af te maken.
Knockout round: Een fase in een toernooi waarin de verliezer direct wordt uitgeschakeld.
L – Pickleball termen met de ‘L’
Let: Een service die het net raakt maar toch goed landt; de service wordt opnieuw gespeeld.
Lob: Een hoge bal over de tegenstander heen, vaak gebruikt om tijd te winnen.
Line call: De beslissing of een bal in of uit was.
Lateral movement: Zijwaartse beweging op het veld, belangrijk voor snelle positionering.
M – Pickleball termen met de ‘M’
Match point: Het punt waarmee een speler of team de wedstrijd kan winnen.
Momentum: De ‘flow’ van het spel waarbij een speler of team in een sterke fase zit.
Mis-hit: Een bal die niet goed wordt geraakt, vaak onbedoeld maar soms effectief.
Mixed doubles: Dubbelspel waarbij elk team bestaat uit een man en een vrouw.
N – Pickleball termen met de ‘N’
Net cord: Wanneer de bal het net raakt en toch overgaat; blijft gewoon in het spel.
No volley zone: Andere naam voor de kitchen, het gebied vlak bij het net.
Neutral grip: Een grip waarbij je snel kunt schakelen tussen forehand en backhand.
Non-dominant hand: De hand zonder paddle, vaak gebruikt voor balans en oriëntatie.
O – Pickleball termen met de ‘O’
Overhead: Een smash-achtige slag boven het hoofd, vaak als antwoord op een lob.
Out ball: Een bal die buiten de lijnen landt.
Open court: Het deel van het veld dat niet gedekt wordt door een speler.
Official: Een scheidsrechter of wedstrijdleider bij officiële toernooien.
P – Pickleball termen met de ‘P’
Paddle: Het racket dat je gebruikt bij pickleball.
Poach: In dubbelspel een bal van je partner overnemen om druk te zetten.
Pickle: Slang voor een snelle rally of een onverwacht lastige bal.
Pickleball: De sport zelf, een mix van tennis, badminton en tafeltennis.
Passing shot: Een bal langs de tegenstander geslagen terwijl die aan het net staat.
Q – Pickleball termen met de ‘Q’
Quick hands: Snel kunnen reageren bij snelle rally’s aan het net.
Quiet zone: Informele term voor een zone waarin je rustig moet spelen om fouten te vermijden.
Quarterfinal: De kwartfinale in een toernooi.
R – Pickleball termen met de ‘R’
Rally: Een reeks slagen over en weer tussen beide teams.
Reset shot: Een zachte, gecontroleerde slag om een harde rally te vertragen.
Receiver: De speler die de service ontvangt.
Ready position: Basishouding waarbij je klaarstaat om elke bal te slaan.
Referee: De scheidsrechter tijdens officiële wedstrijden.
S – Pickleball termen met de ‘S’
Serve: De slag waarmee je een punt begint.
Side out: Wanneer het serveerrecht overgaat naar de tegenstander.
Spin: Effect dat je aan de bal meegeeft, zoals topspin of slice.
Smash: Een harde slag boven het hoofd, vaak als antwoord op een lob.
Soft game: Spelstijl waarbij je veel zachte ballen en dinks gebruikt.
Switch: Wisselen van plek met je partner tijdens een rally.
T – Pickleball termen met de ‘T’
Third shot drop: De derde slag van een rally, bedoeld om het netspel op te bouwen met een zachte bal.
Topspin: Een voorwaarts draaiende bal die na de stuit naar beneden duikt.
Timeout: Een korte pauze aangevraagd door spelers om op adem te komen of tactiek te bespreken.
Tournament: Een officieel toernooi of competitie.
Transition zone: Het gebied tussen baseline en net, waar je vaak in beweging bent tijdens rallies.
U – Pickleball termen met de ‘U’
Unforced error: Een fout zonder directe druk van de tegenstander.
Underhand serve: De verplichte servicevorm bij pickleball, van onderaf geslagen.
Upset: Een onverwachte overwinning van een lager geplaatste speler of team.
V – Pickleball termen met de ‘V’
Volley: Een slag waarbij je de bal slaat voordat die de grond raakt.
Volley rally: Een rally waarbij beide teams de bal voortdurend volleren.
Violation: Overtreding van de spelregels, zoals een voetfout of kitchen volley.
W – Pickleball termen met de ‘W’
Winner: Een bal die direct een punt oplevert, zonder dat de tegenstander hem raakt.
Warm-up: De periode voor een wedstrijd waarin spelers inslaan en opwarmen.
Wrist action: Polsgebruik bij het slaan van bepaalde slagen, zoals topspin of dropshots.
X – Pickleball termen met de ‘X’
X-shot: Slang voor een onvoorspelbare bal, vaak met veel effect of rare hoek.
X-factor: Een unieke kwaliteit die een speler onverwacht gevaarlijk maakt.
Y – Pickleball termen met de ‘Y’
Yield: Bewust een bal aan je partner overlaten.
Yips: Een plotselinge mentale blokkade waardoor makkelijke slagen fout gaan.
Z – Pickleball termen met de ‘Z’
Zone defense: Verdedigende opstelling waarbij spelers elk een zone dekken.
Zero-zero-start: De officiële manier om de score aan te geven aan het begin van de wedstrijd (0–0–2).




